Blog

De wereld draait om geld, we zijn niet anders gewend. Vrijwel alles wat we doen is direct of indirect gerelateerd aan geld. “Alleen de zon gaat voor niets op” is niet voor niets een bekend gezegde. Als je daar wat langer over nadenkt is het eigenlijk raar dat we bij bijna alles wat we doen de relatie met geld leggen. Iets kost zoveel, als we investeren levert dat zoveel op, we moeten reorganiseren omdat we moeten bezuinigen. Alles wat we doen moet rendement opleveren. Als het niet op korte termijn - en zichtbaar - rendement oplevert, is het niet goed.

Als P&O-er wordt je bijna dagelijks geconfronteerd met het rendementsdenken en het daarmee samenhangende gedrag. Het aannemen van mensen kost geld, advertenties plaatsen, een assessment regelen, overal krijg je een rekening voor. Een reorganisatie doorvoeren kost geld, outplacementtrajecten kosten geld. Investeren in een goede personeelsadministratie is kostbaar. En ga zo maar door.

Feitelijk moeten investeringen die voor en door P&O gedaan worden bijdragen aan een beter draaiende en stabiele organisatie. En terecht. Het rendement daarvan is echter moeilijk – en zeker niet direct - meetbaar. Het effect van dergelijke investeringen is vaak pas op langere termijn zichtbaar. Wat ook een belangrijke reden is dat P&O nogal eens weggezet wordt als kostenpost. Zeker in organisaties waar korte termijn denken leidend is.

Menig P&O-er is zich onvoldoende bewust van het feit dat heel veel werkzaamheden die ze doen veel geld kosten. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat binnen organisaties de verantwoordelijkheid voor het budget niet bij de P&O-er wordt gelegd, maar bij het management, maar ook met het gegeven dat menig P&O-er het omgaan met cijfers niet echt interessant vindt. Dat is geen goede zaak, je behoort te weten wat voor investeringen je namens de organisatie doet, alleen dan ben je bij machte een goede balans te vinden tussen kosten en baten.

Ik ben opgeleid met het leren omgaan met budgetten en met het inzichtelijk krijgen van wat ik als P&O-er aan investeringen doe in het werk dat ik doe binnen organisaties. Door met management niet alleen te praten over wat hij of zij van en voor medewerkers willen, maar door daarbij ook inzichtelijk te maken wat de financiële impact is van dergelijke wensen, kunnen de juiste afwegingen gemaakt worden tussen investeringen en rendement. Daarmee geef je een volledig advies, je laat zien dat je weet waar het over gaat en wordt zodoende serieus genomen.

Ik heb geleerd, dat als je kritisch bent op wat je doet en als je laat zien op welke wijze je toegevoegde waarde levert voor de organisatie, namelijk door transparant én volledig te zijn in je advisering, het rendement dat HR levert voor de organisatie vanzelf zichtbaar wordt.

De afgelopen jaren heb ik wel het een en ander meegemaakt in werving en
selectieland, als sollicitant wel te verstaan. Daarover heb ik al meerdere
malen op deze plek mijn boosheid en frustratie geuit. Wat ik onlangs echter
meemaakte dwingt mij, om toch maar weer eens in de pen te klimmen hierover. Het
wordt tijd dat bureaus en organisaties die zich bezighouden met het bemiddelen
van mensen, zich gaan realiseren dat zij zich met levende wezens bezighouden,
die met respect behandeld behoren te worden. En dat het dus niet gaat om
ordinaire koopwaar die al naar gelang de luimen van de markt verhandeld kan
worden.

Ik ben van nature kritisch en wil altijd graag het waarom van wat mensen doen
weten. Noem het beroepsdeformatie. Ik vraag dus door als ik iets niet begrijp
of als ik het gevoel heb niet serieus genomen te worden. Ik merk dat
bemiddelingsbureaus dat niet op prijs stellen, want ik leg daarmee de vinger
nog wel eens op de zwakke plek.

In mijn loopbaan als P&O-er heb ik op veel aspecten van het vak ervaring
opgedaan, waaronder zeker ook op het gebied van werving & selectie. Als het
om het aantrekken van mensen gaat, dan durf ik te stellen dat ik weet waar het
over gaat en hoe het behoort te werken. Er waren daarbij een paar –
ongeschreven – regels, die ook heden ten dage nog opgeld behoren te doen. Om er
een paar te noemen: sollicitanten serieus nemen, altijd reageren naar een
sollicitant, ongeacht de boodschap, open en eerlijk zijn bij afwijzing en elke
sollicitant behandelen alsof het een potentiële klant is voor de organisatie.
En - vanzelfsprekend - weten waar het over gaat.

Een paar jaar geleden kreeg ik een enthousiasmerende mail van een nieuw bureau in
de markt, die niet alleen een goed verhaal neerzette, maar mij tevens
uitnodigde mijn CV op te sturen, waarna ik zou worden uitgenodigd voor een kop
koffie om kennis te maken. Uiteraard heb ik mijn CV opgestuurd, de boodschap sprak
mij tenslotte aan, maar die koffie bleef uit. Toen ik recentelijk solliciteerde
op een vacature die mij op het lijf geschreven leek, kreeg ik een kort
berichtje met de mededeling dat er veel reacties waren en dat er op korte
termijn op teruggekomen zou worden. Na twee weken ging ik toch maar eens
rappelleren, waarna ik de laconieke mededeling kreeg dat de vacature intussen
ingevuld was. Toen ik doorvroeg, mij werd namelijk niet verteld wat er met mijn
sollicitatie was gebeurd, werd mij te verstaan gegeven, dat men geselecteerd
had uit mensen die men persoonlijk kende. Toen ik de Recruiter confronteerde
met de mail van enkele jaren geleden, werd het stil. Hoezo serieus nemen?

Een ander bureau, gespecialiseerd in HR voor overheid en overheid gerelateerde
organisaties maakte onlangs veel reclame
voor een boek met daarin veel interessante HR wetenswaardigheden. Dit kon
gratis besteld worden als er een mailtje gestuurd werd. Daar ik graag bij blijf
in mijn vakgebied reageerde ik. De boodschap die ik vervolgens kreeg was, dat
het boek alleen bestemd was voor HR functionarissen werkzaam bij de doelgroep
waar ze voor werkten. Ter compensatie kreeg ik de pdf toegestuurd, maar deze
bleek van het vorige boek te zijn, waar ik dus niet zoveel meer aan had. Ook hier
ben ik in de pen geklommen met de vraag waarom ik een dergelijke reactie krijg,
daar dit boek toch voor elke HR functionaris interessant was. Het enige antwoord
daarop was dat mijn reactie meegenomen zou worden in de evaluatie (?!?).
Gelukkig bleek er nog iemand te werken die het wel begreep en ontving ik een
paar dagen later alsnog het boek, met excuses voor de gemaakte “vergissing”.

Als sollicitant heb je je klaarblijkelijk maar te voegen, je bent koopwaar die zo
duur mogelijk verhandeld moet worden en waar dus zo min mogelijk tijd en
energie aan moet worden besteed. En als ik als HR professional al zo behandeld
wordt, dan kun je je afvragen hoe dat gaat met andere sollicitanten.

Gelukkig zijn er ook nog partijen die wel weten hoe het hoort, die wel de tijd nemen om
fatsoenlijk antwoord te geven, ook als dat negatief is. Die wel tijd en
aandacht aan je besteden en je uitnodigen voor een kop koffie om je te leren
kennen. En die wel laten blijken verstand van zaken te hebben en te weten wat
hun opdrachtgever wil. Dergelijke bureaus worden echter steeds schaarser en dat
is zorgwekkend te noemen.

Het wordt tijd dat álle bemiddelingsbureaus de sollicitant weer serieus gaan nemen !

Met de introductie van de computer lijkt de schrijfvaardigheid van de gemiddelde
Nederlander een neergaande lijn te hebben ingezet. Waar nog niet eens zo lang
geleden men - met de liniaal (een corrigerende
tik mocht toen nog gewoon) - een tik op
de vingers kreeg als niet netjes genoeg geschreven werd, lijkt
schrijfvaardigheid heden ten dage een ondergeschikt vak te zijn geworden.

In het verlengde van het verslechteren van onze schrijfvaardigheid verloedert ook
de taalvaardigheid. Het is opvallend – en buitengewoon triest - te zien hoeveel
taalfouten er gemaakt worden, ook in de grote landelijke dagbladen. En door
journalisten waarvan je zou mogen verwachten dat zij als geen ander de taal
beheersen. Naast schrijffouten is dit ook duidelijk terug te zien in de
verbastering van de vele spreuken en gezegden die ons land rijk is. In menig
televisieprogramma wordt daar weliswaar de draak mee gestoken, maar in
diezelfde programma’s lijkt het gezegde “de pot verwijt de ketel dat die zwart
ziet” aardig opgeld te doen.

In sollicitatiebrieven en in CV’s is deze toenemende verloedering van de taal helaas
ook waarneembaar. De sollicitant van tegenwoordig is niet meer gewend brieven
te schrijven en lijkt soms de basisbeginselen van de taal niet eens te
beheersen. Achtergrond of opleidingsniveau is daarbij niet (meer) van invloed.

Als P&O-er moet je je afvragen hoe daar mee om te gaan. In de meeste gevallen
wordt voor functies gevraagd om goede communicatieve én schriftelijke
vaardigheden. Er zal dus goed gekeken moeten worden naar de functie waarvoor een
kandidaat opteert en welke eisen er in die positie gesteld worden aan
mondelinge en schriftelijke vaardigheden. Als dat er één is waarin veel
schriftelijk gecommuniceerd moet worden met klanten, dan zou het wel eens een
breekijzer kunnen worden. Is dat niet het geval, dan zou het minder belangrijk kunnen
zijn.

In essentie betekent het dat bij elke sollicitant niet alleen goed gekeken moet
worden waar deze op solliciteert en wat de eisen zijn die aan de functie
gesteld worden, maar zeker ook naar de wijze waarop iemand zich in eerste
instantie presenteert en hoe het gesteld is met de schrijf- en taalvaardigheid.

P&O blijft mensenwerk. Gelukkig. Maar ook hier geldt: Verbeter de wereld, begin bij
jezelf

Met veel tamtam werd onlangs in de media gemeld dat uitzendbureaus (blijven)
meewerken aan discriminatie. Het ging deze keer over discriminatie op afkomst.
Opdrachtgevers die te kennen gaven liever geen kandidaten afkomstig uit
bepaalde landen te willen zien, werden door uitzendbureaus op hun wenken
bediend. Dit kon niet en mocht niet en tot in de politiek werd er schande van
gesproken.

Opvallend genoeg bleven de aanstichters van dit alles uit de wind. De opdrachtgevers
(lees: werkgevers) die dergelijk gedrag ten toon spreiden, kunnen dit
klaarblijkelijk zonder gevolgen doen. Er is niemand die ze daar op aanspreekt,
laat staan dat er sancties staan op dergelijk verwerpelijk gedrag. Ook de
politiek blijft in deze stug de andere kant op kijken en blaat mee met de
kudde. Dat is hypocriet, want daar begint het tenslotte en werkgevers zullen
expliciet aangesproken moeten worden op hun voorbeeldgedrag.

Het moet duidelijk zijn, dat het gedrag wat de uitzendbureaus in deze vertonen, volstrekt
niet goed te praten is, en ze verdienen het hierop stevig aangesproken te
worden. Echter, het zijn niet alleen de uitzendbureaus die zich hieraan
schuldig maken. Elk bedrijf dat zich bezighoudt met het bemiddelen van mensen,
doet hieraan mee. En - voor de goede orde - niet alleen als het gaat om
afkomst, maar zeker ook als het gaat om alle andere vormen van discriminatie.
Discriminatie op leeftijd, geslacht, branche, geloof, het komt helaas nog
steeds op grote schaal voor. Zonder het gedrag van deze intermediairs te willen
vergoelijken, het is te begrijpen vanuit het oogpunt dat de concurrentie in die
markt groot is en werkgevers het (nog) voor het uitzoeken hebben. Maar het is
uitermate verwerpelijk waar het gaat om het eerbiedigen van artikel 1 van onze
Grondwet.

HR zou in deze materie een belangrijke rol moeten spelen. Met artikel 1 in de hand
zouden zij hun werkgevers duidelijk moeten maken dat het niet kan om dergelijke
eisen aan intermediairs te stellen. Én omdat dit strijdig is met de wet én
omdat het niet past in de normen en waarden die je als organisatie moet willen
uitstralen. Daarnaast zouden zij richting de intermediairs duidelijk moeten
maken, dat zij enkel kandidaten aangeleverd wensen te krijgen die voldoen aan
de gevraagde kwaliteiten en ervaring. Helaas lijkt ook menig HR afdeling in dit
hele gebeuren een dubieuze rol te vervullen. Dat is triest te moeten
constateren en ook HR zou dus aangesproken moeten worden op hun gedrag hierin.

Zolang echter alleen de intermediairs aangesproken worden op dit gedrag, maar
werkgevers buiten beeld blijven en gewoon door kunnen blijven gaan met het
stellen van eisen die geweld doen aan artikel 1, zal het probleem niet opgelost
worden.

De Nederlandse Nederlander wordt steeds meer gast in eigen land. Dat is het gevoel wat mij in toenemende mate bekruipt. Op steeds meer fronten moet je continue op je hoede zijn. Oppassen met wat je zegt, goed nadenken bij wat je schrijft, opletten met wat je doet. En – dat zal ook wel niet lang meer duren – oppassen met wat je denkt.

Alles wat je zegt en schrijft wordt tegenwoordig door ieder individu die het leest anders geïnterpreteerd en uitgelegd. En dankzij Social Media, waar men zich veilig en anoniem waant, wordt luidkeels geageerd, zeker als men een andere mening is toegedaan. Voor je het weet word je uitgemaakt voor van alles en nog wat. In de wetenschap dat ik geen bijkomende motieven heb en het goed voor heb met iedereen die in ons land wil wonen en werken, voel ik toch de behoefte hierover mijn hart te luchten.

De niet-Nederlandse Nederlander (ook deze benaming zal wel weer ter discussie worden gesteld) wil, zo lijkt het, steeds meer bepalen wat wel en niet geoorloofd is in ons land. Oer-Hollandse tradities worden met veel bombarie ter discussie gesteld, net zo lang tot ze aangepast zijn of zelfs afgeschaft worden. Historie wordt in het perspectief van vandaag de dag gezet en gebruikt om bij de huidige generatie genoegdoening te eisen voor wat hun verre voorouders, volgens de huidige maatstaven, allemaal niet goed hebben gedaan. En passant worden daarmee onze roots - of die nu wel of niet mooi zijn - geweld aangedaan. En geloof wil steeds vaker bepalen wat wel en niet toegestaan is in het dagelijks straatbeeld. Desnoods met geweld. Degene met de grootste mond krijgt steeds vaker z’n zin, wat weinig meer met democratie van doen heeft.

De tolerantie waarom de Nederlandse Nederlander bekend stond, wordt meer en meer op de proef gesteld. Zolang we het goed vinden is er niets aan de hand, maar zodra we iets zeggen of doen wat de niet-Nederlandse Nederlander niet bevalt, zijn we aan het discrimineren, of tonen we geen respect. Wij moeten ons maar aanpassen aan degenen die – historisch gezien – ooit als gast naar ons land kwamen. De Nederlandse Nederlander wordt voortdurend gevraagd begrip en respect te tonen voor de niet-Nederlandse Nederlander, voor hun religie, voor de problemen waarvoor ze zijn gevlucht, voor de slechte situatie waarin zij zijn beland. Onze tolerantie lijkt zich tegen ons te keren.

Uiteraard heb je ook als P&O hiermee dagelijks te maken. Kwaliteit is niet meer leidend, bij sollicitanten tellen niet de vaardigheden, maar afkomst en geslacht, want als de organisatie geen afspiegeling van de maatschappij is, dan zwaait er wat. Luisteren naar wat iemand te vertellen heeft is ondergeschikt aan wie het verteld. En bij het beoordelen van medewerkers zijn er zoveel niet kwalitatieve aspecten die meegewogen moeten worden, dat het bijna niet meer te doen is.

Ik ben een groot voorstander van ontwikkeling en vernieuwing, van het leren van en luisteren naar andere visies en meningen. En als dat leidt tot verandering is dat prima. Het integreren van niet-Nederlandse Nederlanders in onze maatschappij is daar onderdeel van en past ook in ons tolerante beleid. Maar als dit betekent dat er geen respect meer getoond wordt voor onze tradities en voor onze historie, als dat betekent dat onze normen en waarden ondergeschikt gemaakt moeten worden, dan lijken de grenzen van de tolerantie in zicht.