De Nederlandse Nederlander wordt steeds meer gast in eigen land. Dat is het gevoel wat mij in toenemende mate bekruipt. Op steeds meer fronten moet je continue op je hoede zijn. Oppassen met wat je zegt, goed nadenken bij wat je schrijft, opletten met wat je doet. En – dat zal ook wel niet lang meer duren – oppassen met wat je denkt.

Alles wat je zegt en schrijft wordt tegenwoordig door ieder individu die het leest anders geïnterpreteerd en uitgelegd. En dankzij Social Media, waar men zich veilig en anoniem waant, wordt luidkeels geageerd, zeker als men een andere mening is toegedaan. Voor je het weet word je uitgemaakt voor van alles en nog wat. In de wetenschap dat ik geen bijkomende motieven heb en het goed voor heb met iedereen die in ons land wil wonen en werken, voel ik toch de behoefte hierover mijn hart te luchten.

De niet-Nederlandse Nederlander (ook deze benaming zal wel weer ter discussie worden gesteld) wil, zo lijkt het, steeds meer bepalen wat wel en niet geoorloofd is in ons land. Oer-Hollandse tradities worden met veel bombarie ter discussie gesteld, net zo lang tot ze aangepast zijn of zelfs afgeschaft worden. Historie wordt in het perspectief van vandaag de dag gezet en gebruikt om bij de huidige generatie genoegdoening te eisen voor wat hun verre voorouders, volgens de huidige maatstaven, allemaal niet goed hebben gedaan. En passant worden daarmee onze roots - of die nu wel of niet mooi zijn - geweld aangedaan. En geloof wil steeds vaker bepalen wat wel en niet toegestaan is in het dagelijks straatbeeld. Desnoods met geweld. Degene met de grootste mond krijgt steeds vaker z’n zin, wat weinig meer met democratie van doen heeft.

De tolerantie waarom de Nederlandse Nederlander bekend stond, wordt meer en meer op de proef gesteld. Zolang we het goed vinden is er niets aan de hand, maar zodra we iets zeggen of doen wat de niet-Nederlandse Nederlander niet bevalt, zijn we aan het discrimineren, of tonen we geen respect. Wij moeten ons maar aanpassen aan degenen die – historisch gezien – ooit als gast naar ons land kwamen. De Nederlandse Nederlander wordt voortdurend gevraagd begrip en respect te tonen voor de niet-Nederlandse Nederlander, voor hun religie, voor de problemen waarvoor ze zijn gevlucht, voor de slechte situatie waarin zij zijn beland. Onze tolerantie lijkt zich tegen ons te keren.

Uiteraard heb je ook als P&O hiermee dagelijks te maken. Kwaliteit is niet meer leidend, bij sollicitanten tellen niet de vaardigheden, maar afkomst en geslacht, want als de organisatie geen afspiegeling van de maatschappij is, dan zwaait er wat. Luisteren naar wat iemand te vertellen heeft is ondergeschikt aan wie het verteld. En bij het beoordelen van medewerkers zijn er zoveel niet kwalitatieve aspecten die meegewogen moeten worden, dat het bijna niet meer te doen is.

Ik ben een groot voorstander van ontwikkeling en vernieuwing, van het leren van en luisteren naar andere visies en meningen. En als dat leidt tot verandering is dat prima. Het integreren van niet-Nederlandse Nederlanders in onze maatschappij is daar onderdeel van en past ook in ons tolerante beleid. Maar als dit betekent dat er geen respect meer getoond wordt voor onze tradities en voor onze historie, als dat betekent dat onze normen en waarden ondergeschikt gemaakt moeten worden, dan lijken de grenzen van de tolerantie in zicht.