Voor de doorsnee Nederlander is het normaal dat je werkt om - zoals dat heet -
“brood op de plank te krijgen.” Het zit ingebakken in ons onderbewustzijn dat
je moet werken om je geld te verdienen en het is dan ook logisch dat we -
gewoontedieren als we zijn - zoeken naar de zekerheden om dit te waarborgen.

Dit denken is zo ingesleten dat menig werknemer compleet van slag raakt als deze
zekerheid op de tocht komt te staan. Zeker als je ouder wordt, al langer op de
arbeidsmarkt participeert en het als een vanzelfsprekendheid ziet dat je werkt voor
je brood.

De afgelopen tijd is redelijk veel gesproken over duurzame inzetbaarheid. Primair
was dit gericht op het langer in dienst houden van de oudere medewerkers en dus
op het vitaal houden van deze groep. Want met het verschuiven van de pensioengerechtigde
leeftijd moet langer gewerkt worden en dus moest hiervoor extra aandacht komen.
Een loffelijk streven, waar door de overheid dus het nodige geld in gepompt
werd.

Het bedrijfsleven - waar over het begrip “oudere” een andere visie lijkt te bestaan
- houdt er echter een andere mening op na. Deze oudere werknemer - die door
werkgevers steeds jonger als “oud” gekwalificeerd wordt - wordt onder het mom
van reorganisatie, kostenbesparingen en/of efficiency maatregelen massaal
geloosd. Werkgevers zijn helemaal niet bereid te investeren in oudere
werknemers, zelfs niet als dit gesubsidieerd wordt. Hoe ouder hoe duurder en des
te groter de kans op uitval is (helaas) nog steeds het adagium waar veel werkgevers
aan vast houden. Het is triest te moeten constateren, dat het bedrijfsleven wel
wil investeren in innovatieve zaken, maar dat zij, als het gaat om hun nog
steeds belangrijkste asset - de medewerker - blijft hangen in oud denken.

Waar je zou (mogen) verwachten dat de overheid maatregelen neemt om het bedrijfsleven
daarop aan te pakken, zien we echter wat anders gebeuren. Niet de werkgevers
worden aangesproken op hun gedrag, maar het begrip duurzame inzetbaarheid wordt
simpelweg geherdefinieerd en blijkt ineens van toepassing op alle werknemers.
Een typisch staaltje van symptoombestrijding, waarbij het idee achter het
oorspronkelijke plan, wat prima aansloot bij het verschuiven van de
pensioenleeftijd, gemakshalve overboord gezet wordt.

Doordat overheid en bedrijfsleven ieder blijven volharden in hun eigen visie en hun gedrag
daarop afstemmen, ontstaat er een steeds grotere kloof tussen deze twee. En de
grote groep verliezers - de steeds jonger wordende oudere medewerkers - dondert
daar en masse in. Deze groep ziet, dat de periode tussen hun werkzame leven en
hun pensioen steeds groter wordt. Ze ervaart dagelijks dat ze door zowel
overheid - die ze dwingt te blijven solliciteren - als door de werkgever - die
ze niet eens meer te woord wil staan - niet meer serieus genomen wordt. Gevolg
is, dat het steeds moeilijker wordt voor deze groep mensen om hun dagelijks
brood op eerbare wijze te verdienen. De voedselbanken schieten als
paddenstoelen uit de grond. En dan hebben we het nog niet eens over de
toenemende psychische problemen als gevolg van dit alles.

Als P&O-er moeten we ons beseffen, dat we vooral aan deze groep medewerkers extra
veel aandacht moeten schenken. Aan het management zullen we ook duidelijk
moeten maken, waarom we juist daaraan meer tijd en energie (en dus geld) moeten
besteden. Denk alleen maar aan een goed gebalanceerd personeelsbeleid,
kwaliteit van dienstverlening en aan deskundigheid in de organisatie. En, realiseer
je dat het gezegde “goedkoop is duurkoop” ook hier opgeld doet.

Daarnaast zal P&O meer tijd en energie moeten gaan stoppen in het leveren van een
substantiële bijdrage aan het begrip duurzame inzetbaarheid. Voor álle
medewerkers, jong én oud(er).

Tenzij we duurzame inzetbaarheid maar flauwekul vinden. Maar laten we daarover dan ook
duidelijk zijn en geen verstoppertje blijven spelen.